Zalmzegenvisserij vlakbij de club

DSCF0115

tekst Jacqueline Jochems, foto’s GVI, Jan Sebregts & Ton Ceelen

Iedereen die wel eens het overdraagpad van de kreek naast Dajaks naar de brandweersteiger heeft gelopen, heeft ‘Het’ gezien. ‘Het’ is een groot stuk metaal, waarvan ik in eerste instantie dacht dat het een dissel was, dat in de berm ligt. In het voorbijgaan heb ik links en rechts gevraagd of andere Dajakkers wisten wat het zou kunnen zijn, maar ook zij hadden geen idee. Totdat Piet enkele weken geleden opperde dat het wel eens een ‘haal’ zou kunnen zijn die bij de zalmvisserij werd gebruikt. Dat vond ik eigenlijk een heel aannemelijk idee. Tenslotte zijn er in onze omgeving meer sporen van de zalmvisserij te vinden, zoals de werkmanskeet bij de Ottersluis en even verderop de bruine boetekeet van Olmer.

IMGP0791We beginnen dus bij het begin met deze speurtocht: de zalm en de zalmvisserij. Binnen de kortste keren kreeg ik het boekje van buurman Wim van Wijk met de titel Heden en verleden van zalm en zegen in de Biesbosch in handen. Zelf had ik ook nog wat naslagwerken, dus ik kon aan de slag. Eerst een klein stukje geschiedenis. Ver vóór de Sint-Elisabethsvloed van 1421 werd er namelijk al gevist op standvis en trekvis in de rivieren de Maze en Merwede.

Na het dóórbreken van de dijken ontstond er een binnenzee waar zoet en zout water met elkaar in contact kwamen, en waar onder invloed van eb en vloed het visgebied – een stelsel van kreken en stroomgaten – enorm werd uitgebreid. In Dordrecht en Geertruidenberg waren visafslagen waar de vangst van de vissers verhandeld werd. Hoe belangrijk deze visvangst voor de Biesbosch was, valt nu nog af te leiden uit oude namen die ernaar verwijzen. Zo spreken het Noorder- en Zuidergat van de Visschen voor zich, net als het Steurgat, polder de Zalm, de Spieringsluis en de Palingsloot. Maar ook het Gat van den Hengst verwijst ernaar, lees maar verder.

Brakwaterpauze

De Salmo salar (tot 25 kilo, lengte 100-150 cm) oftewel de zalm waar dit verhaal over gaat, behoort tot de zogenaamde ‘anadrome’ soorten, die leven in zout water en paaien in zoet water. De zalm trekt in de zomer (de piekvangst was in juli) en het najaar stroomopwaarts om te paaien in zijn geboortegebied. De kleine zalmpjes verlaten na enkele maanden het nestgebied en trekken na een of twee jaar richting zee. Daarbij verblijft de vis enige tijd in het grensgebied tussen zoet en zout water, waar een hormonale verandering plaatsvindt die het mogelijk maakt om verder te leven in zeewater. De zalm trekt dan onder meer door naar Groenland.

zalm-1

Na drie jaar is de vis volgroeid en gaat hij zijn paaigronden weer opzoeken, ook nu weer met een pauze in het brakwatergebied om zich aan het zoete leefmilieu aan te passen. Na het paaien sterven de meeste vissen. Soms overleeft een zalm het paaien (hij wordt dan hengst genoemd) en waagt hij zich aan een tweede tocht naar zee. Dat is dan een flinke jongen. Voor een visser is een trekkende vis natuurlijk een gouden kans: ga op het juiste moment langs de kant zitten en je kostje is gekocht. Helaas is de zalm rond 1950 door overbevissing maar ook door de bouw van stuwen en dammen verdwenen uit de Biesbosch.

Steken en zegen

De zalm werd op verschillende manieren bevist. Eerst met kilometerslange schermen van wilgenhout die dwars de rivier in staken, ‘steken’ genaamd. Deze steken hebben vaak één of meerdere dwarsschotten, die weer verbonden waren met fuiken. De vissen werden door het getij en de schermen in de fuiken gedreven. Steken stonden op vaste plaatsen, vooral in brede kreken. Uit de namen van sommige kreken valt nog af te leiden dat deze steken daar voorkwamen; denk aan het Gat van de Binnennieuwsteek (langs de Amer) en het Gat van de Honderd en Dertig – er stonden 130 steken in deze kil.

serveimage.cfm-4

Zalm werd ook gevangen met een zalmschouw of drijverschuit. Twee of drie vissers trokken met dit kleine bootje, dat eerst van hout en later van ijzer werd gebouwd, in het donker de rivier op. Zij zetten hun netten of zegens uit op de dreef – het stuk rivier dat zij pachtten – en lieten zich met de stroom meedrijven. Deze zegens hadden aan de bovenzijde lichte drijvers van hout of kurk en aan de onderzijde zware zinkers (stenen of loodblokken) zodat ze rechtop in het water bleven staan. De vis zwemt in het donker met de ebstroom mee en blijft kansloos in de netten hangen.

314

Stoomspil

De industriële revolutie bracht een nieuwe vangstmethode met zich mee: de door stoom aangedreven, fabrieksmatige zalmzegenvisserij. Waar eerst de zegen nog met mankracht in een grote boog werd uitgevaren om aan het eind van de nacht met de hand of met paarden terug op de kant te worden getrokken, werd later het uitzetten met behulp van een stoomboot gedaan. Een net van ruim 350 meter lang en 10 meter hoog was dan verbonden met de wal. Op de wal bevond zich een ka-loper, die over een rails het hele traject meeliep, terwijl het andere eind achter de sleepboot aan dreef. Dit geheel dreef met de ebstroom mee tot bij de haal, waar het net met behulp van weer een stoommachine werd binnengehaald. Langs de Nieuwe Merwede ligt ook nog het betonnen fundament van de spil.

serveimage.cfm-2

En met die stoomschepen die de netten uitzetten, waarna ze met een stoomspil werden binnengehaald, zijn we terug bij het stuk metaal langs het overdraagpad. Want het zou zomaar kunnen dat daar een stukje geschiedenis in de berm ligt. Wie zal het zeggen?

(Naschrift van de redactie: tijdens de Oeverschoonmaakdag op 10 maart hebben de scouts ‘Het’ opgeruimd. Maar het raadsel blijft…)

IMGP0793

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s